Joomla Tema by Web Dev

De gehoornde khan

Category: Sprookjes
Heel lang geleden leefde er een khan die zo wreed regeerde dat zijn volk hem dag en nacht verwenste. Deze khan had de gewoonte zich eens in de week het hoofd kaal te laten scheren. Dit moest iedere week gebeuren door een nieuwe barbier om de simpele reden dat iedere barbier die de khan eenmaal had geschoren, in een kerker werd geworpen. Zoals tegenwoordig scheermesjes na een keer scheren worden weggegooid, zo ging dat bij die khan met barbiers.
Op een dag klopte de gezant van de khan die deze barbiers bij elkaar moest brengen, aan bij een oud echtpaar dat drie zoons had. De gezant zei: "Jullie oudste zoon heeft volgende week scheerdienst."

De oudste zoon ging gehoorzaam naar de khan en kwam niet meer terug. Wie wel terugkwam was de gezant. "Jullie middelste zoon heeft volgende week scheerdienst."

Ook de middelste zoon vertrok en werd niet meer gezien. Wie wel werd gezien was de gezant. "Jullie jongste zoon heeft volgende week scheerdienst."

De moeder van deze jongen wilde haar zoon iets meegeven voor onderweg. Hij was immers de jongste en werd altijd wat verwend. Ze maakte een beslag uit restjes meel en restjes moedermelk. Daarvan bakte ze pannenkoeken voor onderweg.

Met de pannenkoeken ging de jongste zoon op weg naar de khan. Deze zat al te wachten in zijn paleis met een ontevreden gezicht en een stoppelhoofd. Hij gaf de jongen een scherp scheermes in de hand en zei: "Scheer me zwijgend!"

Nu kon de jongen al niets meer zeggen, want hij was tijdelijk stom van verbazing. Wat bleek hem namelijk? Dat de khan een hoorn op zijn hoofd had! Nu begreep de jongen ook waarom er nooit barbiers terugkwamen van scheerdienst om dit na te vertellen.

Na het scheren snauwde de khan: "Blijf hier zitten. Wacht tot ik terug ben."

Het wachten duurde lang. De jongen begon de pannenkoek te eten. Hij at het laatste beetje van de laatste pannenkoek toen de khan terugkwam. De khan zei: "Geef je koek hier!" Hij at de laatste hapjes met veel gesmek en riep uit: "Heerlijk! Wie bakt ze zo fijn?"

"Mijn moeder!"

Dat bracht de khan tot nadenken. Hij dacht: "In zekere zin is die jongen nu mijn broeder, want we aten een pannenkoek van dezelfde moeder. Ik zal hem niet in de kerker gooien maar verbannen naar een streek waar geen mensen wonen, die hij iets vertellen kan."

Hij gaf zijn dienaren opdracht de jongen ver weg te brengen, te paard en geblinddoekt!

Zo kwam de jongen terecht in een woest bos. Daar leerde hij alleen zijn. En eetbare bladeren en vruchten zoeken. En kleren maken van pelzen. En dieren doden. En verlangen naar zijn geboortegrond. En hoe de wind klonk als hij blies in het riet: als muziek! Omdat de muziek hem troostte, sneed hij zich uit riet een fluit. Daarop leerde hij zichzelf allerlei liedjes spelen. Daardoor leken de dagen minder eenzaam en treurig. Gesteund door de muziek van de fluit zwierf hij steeds verder door het wilde bos.

Op een dag hield het bos op en ging over in bebouwd land. De jongen trok verder. Hij herkende het land waar hij doorkwam. Het was het land waar hij was geboren en opgegroeid. Voor het eerst na jaren ontmoette hij weer mensen, mensen die zijn taal verstonden, mensen die naar hem luisterden als hij op zijn fluit speelde. De mensen doopten de fluit de 'koerai' - zo had de jongen de fluit voor zichzelf altijd al genoemd - en al zijn er gelukkig geen gehoornde khans meer, (die heeft de tijd allemaal weggeschoren van de aardbol) op de koerai wordt in die streken nog steeds geblazen.