
Mongolië heeft een extreem landklimaat (continentaal klimaat): lange, koude winters en warme, korte zomers waarin de meeste neerslag valt. Er zijn gemiddeld 257 onbewolkte dagen per jaar, wat de slogan “land van de strakblauwe hemel” rechtvaardigt. Het noorden ontvangt de meeste neerslag (250-350 mm per jaar, ruim minder dan de helft van Nederland), het zuiden moet het doen met 100-200 mm en is dus een steppe- en woestijngebied. Het jaargemiddelde voor heel Mongolië bedraagt 233 mm.
Van november tot maart komt het kwik niet boven het vriespunt, in april en oktober ligt de temperatuur rond het nulpunt. De koudste maanden zijn januari en februari met gemiddelde beneden de -20oC, maar een nachtelijke temperatuur van minder dan -40oC is geen uitzondering. In de zomermaanden kan de temperatuur in de Gobiwoestijn tot 38oC en hoger stijgen, in Ulaanbaatar tot ongeveer 33oC. De flinke nachtelijke afkoeling brengt het daggemiddelde op ongeveer 15oC in de maanden juni-augustus.